Het meerjarenplan 2026–2031 van Stad en OCMW Poperinge legt de strategische koers vast voor de komende bestuursperiode. Het document vertrekt vanuit een nuchtere nulmeting, waarin lopende projecten en financiële randvoorwaarden de beschikbare ruimte bepalen.
Enkele omvangrijke projecten bepalen het stadsbeeld voor de komende jaren. Zo wordt het Vroonhof herontwikkeld tot een levendige, groene ontmoetingsplek met onder meer een nieuwe kunstacademie en ontsluiting van de Vleterbeek. Ook het Hopmuseum krijgt een grondige opwaardering en wordt mee uitgebouwd tot een toeristisch infopunt. Daarnaast wil het stadsbestuur de stationsomgeving en het centrum beter ontsluiten en bijkomende parkeervoorzieningen realiseren.
Poperinge investeert ook in innovatieve woonvormen via het Weeuwhof en in een grootschalige woonontwikkeling in het stadscentrum. De aanleg van gescheiden rioleringen en wegenwerken — onder meer in de Werf, Diepemeers en Europalaan — moet bijdragen tot betere mobiliteit en waterzuivering. De herinrichting van Callicannes en het Abeleplein onderstreept de grensligging en samenwerking met buurgemeenten en Provincie West-Vlaanderen.
In de dorpen investeert Poperinge gericht in infrastructuur: nieuwe jeugdlokalen, sportvoorzieningen, herinrichting van ontmoetingscentra en dorpskernen. Ondersteund door het Dorpenplan wil de stad sociale cohesie en leefbaarheid versterken.
Er zijn ook beleidsmatige krachtlijnen zoals de aanpak van sluikstorten, herinschakeling van trage wegen, actualisatie van ruimtelijke uitvoeringsplannen en de oprichting van een intergemeentelijke woonzorgstructuur met Heuvelland en Langemark-Poelkapelle.
Andere accenten zijn biodiversiteit, energiezuinig patrimonium, uitbreiding van deelmobiliteit, cultuur- en sportparticipatie, kind- en leeftijdsvriendelijke ondersteuning en versterking van de welzijnsvoorzieningen. Het bestuur blijft inzetten op participatie en communicatie, onder meer via digitale bevragingen en buurtsalons.
Het plan voorziet investeringen binnen een strikt financieel kader: met een gezonde autofinancieringsmarge en beperkingen op de leningslast wil de stad blijven investeren zonder financiële ontsporing. De economische en budgettaire druk vanuit hogere overheden vormt daarbij een duidelijke randvoorwaarde.